zalige, gezegende, mooie, fijne, prettige Kerstdagen

u toegewenst door De Reizende Dichters

icoon door Gerrit van der Arend

met wat ‘oud en nieuw’ werk:

Hemels Licht

In diepe duisternis,
vast in de modder
van ons bestaan
kijken we omhoog
snakkend naar Licht.

Wie kan ons helpen?
Bent U het niet
Immanuël
U zorgt voor Licht
en geeft uitzicht.

U verliet de hemel
om in onze bagger
te komen
en het Licht
te ontsteken.

Klein genoeg om
bij mensen te zijn
en tegelijk
de Koning
dat is gebleken.

Ontsteek in ons
Uw Liefdesvuur
beziel ons,
raak ons aan
diep van binnen.

Laat ons vervuld
met Uw Geest
als lichtjes van U
dit kerstfeest
mogen beginnen.

Jolanda Holleman

 

verhaal van een kleine Den

hij stond tussen
zijn familie, jarenlang
voelde zich veilig
zijn vader naast hem
dus was hij niet bang
maar opeens gegrepen
door ijzeren klauwen
zijn wortels in een net
op een vrachtwagen gesmeten
door vele steden getoerd
lichtjes in vele huizen
vaak ook in een boom
de mensheid beloerd
toen voelde hij twee
kleine mensenhandjes
zij vond hem mooi
nu staat hij blij
te schijnen
in kersttooi
hopelijk lang
want daarna zou hij
voorgoed verdwijnen

Magda Haan

 

Japie, het straatjochie!

Het is de avond vóór Kerstmis. Het wordt stil op straat. De meeste mensen hebben hun kerst inkopen in huis gehaald en bereiden zich voor op een paar heerlijke dagen in de familiesfeer bij de fraai opgetuigde kerstboom met de vele pakjes daaronder.
Zij verheugen zich ook op het kostelijk kerstdiner waar in die dagen zoveel meer aandacht aan wordt geschonken. De kinderen kunnen haast niet wachten op het moment dat ze mogen weten wat er achter dat mooie pakpapier verborgen zit.
Zou er dat mooie boek in zitten, wat al zo lang op het verlanglijstje staat?
Of die nieuwe fiets, waarom zij hebben gevraagd? Misschien wel de, zo zeer gewenste skeelers, zoals de kinderen op school ook allemaal hebben?
Ja, eigenlijk is dat wel zéker, want in tegenstelling tot vroeger, toen er nog niet zoveel welvaart was, is er bijna geen wens meer die niet vervuld kan worden.
Voor de meeste kinderen is Kerstmis één groot feest, vol verwennerij en gezelligheid. Maar niet iéder kind is zo gelukkig dat alles in het leven naar wens verloopt.
Óh nee!! Er is ook veel ( verborgen) armoede onder de mensen. Ook in deze welvaartstaat, maar daar willen we nu even niets van weten want dát zal onze feestvreugde kunnen bezoedelen en daar willen we nu even niét mee geconfronteerd worden !!

Maar toch….!
Ondanks de kou en de sneeuw die maar blijft vallen zijn er nog steeds mensen op straat. Het zijn de daklozen. Zij die om wat voor reden dan ook, geen vaste verblijfplaats meer hebben. Er staat nog een enkele kerstboomverkoper die zijn laatste boom nog aan de man probeert te brengen. Hij verlangt ernaar, zijn voeten te warmen bij de verwarming en door zijn vrouw verwent te worden met een heerlijk warm bakkie koffie.

Op de hoek van de straat brengt een orkestje van het Leger des Heils, Kerstliedjes ten gehore.
Een enkeling blijft staan om naar de sfeervolle muziek te luisteren en komt, wanneer dat nog niet het geval zou zijn, in die vredige gemoedstemming die nu eenmaal bij deze dagen hoort en waar je ook moeilijk aan kan ontkomen door het sprookjesachtige wit, waarmee de wereld is getooid.

Onder degenen die aandachtig staan te luisteren naar de muziek behoort ook een tienjarig jongetje. In de kringen van de daklozen noemen ze hem; “Japie, het straatschoffie”.

Hoewel Japie niet dakloos is, heeft hij tóch zijn heil gezocht bij deze mensen op straat. Thuis heeft hij niet veel te zoeken!!
Zijn moeder is meestal niet thuis en als dat wel het geval is, dan is ze meestal dronken.
Nee, Japie heeft het niet getroffen in zijn nog zo prille leventje en hoewel hij veel van zijn moeder houdt, krijgt hij van haar niet de zorg en liefde die hij zo hard nodig heeft.
Maria, Japie’s moeder, was nog maar pas achttien jaar toen zij, na een avondje stappen met een leuke jongen, zwanger werd. De vader van Japie wilde zijn verantwoordelijkheid niet dragen en zo gebeurde het dat zijn moeder voor de zware taak stond het kind alléén op te voeden.
Allerlei baantjes pakte zij aan om voldoende geld te verdienen voor hun levensonderhoud, maar steeds liepen haar pogingen op een fiasco uit en werd ze ontslagen.
Ach….Ze was zelf ook nog maar een kind en had niemand die zich om haar en haar kind bekommerde.
Door alle tegenslagen raakte Maria in de problemen.
Zij ging drinken, had geen aandacht meer voor haar kind en kon de noodzakelijkste dingen die nodig waren om in hun levensonderhoud te voorzien niet meer bekostigen. Het gezin verwaarloosde!
Moe gestreden door de eindeloze zorgen gaat Maria de weg van de prostitutie op en inderdaad lijkt het erop dat er enige verbetering in hun financiële situatie komt. Japie weet niet waar deze verbetering aan te danken is, tot het moment dat hij de buren hoort fluisteren over de schandelijke levenswandel van “ die slet” van daarboven.
Japie begrijpt, en steeds vaker gaat hij de straat op om de narigheid thuis te ontvluchten en zo gebeurde het dat hij op deze avond vóór Kerst door de kille, koude straten van Amsterdam slentert.

De financiële opleving was overigens maar van korte duur. Japie’s moeder kon niet van de drank afblijven en daar gingen alle zuurverdiende centjes aan op. De huisbaas ging druk uitoefenen om de huur betaald te krijgen en dreigde het gezin op straat te zetten.
Zo ziet het er naar uit dat deze Kerst voor Japie niet zo rooskleurig zal zijn als voor de meeste andere kinderen.
Verdrietig loopt Japie door de straten en vraagt zich af hoe hij zijn moeder een beetje kan helpen.
Hij besluit nog even naar zijn vriend, Rooie Siem te gaan!
Misschien wordt hij daar een beetje vrolijker van en daarna gaat hij maar naar huis, want het wordt tijd dat hij wat te eten krijgt. Hij heeft honger gekregen van al dat geslenter.
=====================================================
Rooie Siem is een man die, nadat zijn vrouw en kind bij een verkeersongeval om het leven zijn gekomen, aan het zwerven is gegaan.
In die tijd kon niets hem meer schelen en hij zwierf van stad tot stad. Nu heeft hij inmiddels zijn verdriet enigszins verwerkt en wil weer graag als een volwaardig mens in de maatschappij terugkeren. In Amsterdam heeft hij een plekje gevonden bij het station, waar hij, door de verkoop van de krant voor daklozen, hoopt de gelegenheid te krijgen het normale leven weer op te pakken.
Maar hoe hij ook zijn best doet om een baantje te vinden, het lukt maar niet.
De laatste keer heeft hij gesolliciteerd voor sjouwer in de haven, maar nog niets gehoord. “Zal ook wel weer niets worden”, denkt hij.
Nee, ook voor Rooie Siem zijn de kerstdagen moeilijk te verwerken.

Van veraf ziet Japie zijn vriend al staan.
“Hallo, Rooie Siem “, roept hij.
Rooie Siem schrikt op uit zijn sombere gedachten en er komt een glimlach op zijn gezicht.
De eerste keer dat hij Japie ontmoette was hij in gezelschap van zijn moeder geweest. Zij had een krantje bij hem gekocht en ze hadden wat gepraat over het weer. Jantjes moeder was een knappe vrouw, weliswaar wat sober gekleed, maar haar schoonheid was er niet minder om.
Later, is het een gewoonte geworden dat Japie hem dagelijks opzoekt en dan spraken ze over zijn problemen thuis en zocht Japie troost bij zijn grote vriend.
Rooie Siem moet dan altijd denken aan de tijd van weleer.
Zijn jongen had nu ook ongeveer van Jaapies leeftijd geweest en dat heeft een band geschapen tussen deze twee eenzame mensen.
“ Moet jij zo zoetjesaan niet naar huis”? vraagt hij. “Je moeder maakt zich wellicht zorgen om je”.
“Ach welnee Siem,” zegt Japie, “waarschijnlijk heeft ze me nog geen eens gemist!
Maar je hebt gelijk, ik krijg trouwens ook honger, dus ga ik maar weer eens op huis aan”.
Hoofdschuddend kijkt Rooie Siem naar het ventje, dat zo veel voor hem is gaan betekenen.
“ Je moet niet boos zijn op je moeder Japie,” zegt hij, “zij heeft het erg moeilijk en zou waarschijnlijk ook liever hebben gezien dat jou en haar leven anders was verlopen”.
In zijn zak voelt hij het geld zitten dat hij deze dag heeft verdiend aan de opbrengst van de kranten. Van een chique dame had hij een flinke fooi gekregen. Zo maar, omdat het bijna Kerst is.
“Jullie hebben zeker nog geen kerstboom, hé Japie?”
Japie schudt zijn hoofd. “Oh nee, dat kon de grauwe weer niet trekken dit jaar, maar waarom vraag je dat?”
“Nou, weet je, ik kreeg vandaag een flinke fooi van een lieve dame. Zullen we eens gaan kijken of er nog een boom te koop is ?
Dan gaan we die samen naar je moeder brengen en misschien kan er dan ook nog wel een kippetje af, en vieren we morgen samen kerstfeest. Wat vind je er van?”
Japie kijkt zijn vriend verbaast aan, dat zou fijn zijn!!
“Echt waar, Rooie Siem”?, vraagt hij. Wat zal moeder blij zijn”.

Samen gaan ze op zoek naar de marktkoopman met de kerstbomen en ja, hij staat er gelukkig nog.
De laatste boom is nog steeds niet verkocht en de koopman wil naar huis. Hij kent Japie wel en weet dat het manneke het niet zo gemakkelijk heeft.
En ook met Rooie Siem heeft hij meer dan eens te maken gehad. Als de koopman zware planten of bomen moest verplaatsen , stak Rooie Siem hem nogal eens bereidwillig een handje toe.
“ Hallo, Rooie”, heb je al werk gevonden”? vraagt hij.
Verdrietig kijkt Rooie Siem hem aan en antwoordt, “ Ach nee, ik ben nu eenmaal een verdoemde. Niemand wil mij hebben en dat zal wel altijd zo blijven ook”

De koopman wrijft eens over zijn kin en zegt.”Weet je Rooie, ik begin ook een dagje ouder te worden en eigenlijk wordt het werk op de markt voor mij alléén een beetje teveel. Ik zoek iemand die mij zou kunnen assisteren. De verdiensten zijn wel niet zo groot, maar dan heb je in ieder geval werk en ik ben ook geholpen.Voel je er iets voor”?
Dolgelukkig neemt de rooie het aanbod van de marktkoopman aan.
“ Je kunt volgende week al beginnen”, zegt de koopman.
“Hier heb je vast een voorschot, ik gun jou ook een fijne kerst”
En tegen Japie zegt hij, nog voordat Rooie Siem hem naar de prijs van de kerstboom kan vragen. “Neem jij die boom maar mee naar huis Japie, dan is het bij jullie ook een beetje Kerst”.
Vol vreugde neemt Japie de boom in ontvangst. Hij bedankt de koopman en wil dan vlug naar huis.
Wat zal moeder blij zijn.
“Daag”, roept hij, “zalig kerstfeest koopman”.

Ook Rooie Siem voelt zich een stuk beter dan voorheen. Hij loopt met Japie mee naar diens huis, de kerstboom onder de arm.
Thuisgekomen roept Japie: “Moeder, waar ben je. Kom eens kijken wat ik heb meegebracht”?
Maria hoort haar zoon wel, maar ze is te veel uit haar doen om te reageren.
De huisbaas heeft haar de huur opgezegd met de mededeling dat het pand binnen een week moet zijn ontruimd, als ze niet binnen die tijd de huur heeft betaald. Wanhopig zoekt ze naar mogelijkheden om de ramp die boven haar, en Japie’s hoofd hangt af te weren.

Rooie Siem zet de kerstboom in de kamer en loopt daarna met Japie mee om zijn moeder te zoeken. Ze vinden Maria op bed. Ze huilt, en heeft verdriet.
Het spijt haar zo vreselijk dat ze niet beter heeft opgepast. Dan had ze zichzelf en ook Japie niet zo in de problemen gebracht.

Rooie Siem is wat verlegen met de situatie en als Japie zijn moeder zo verdrietig ziet, wordt het hem week om het hart. Japie rent naar haar toe, slaat zijn armen om haar heen en zegt.
“Moeder, waarom huil je zo”?
En dan komt het hoge woord eruit en Maria vertelt hoe bang ze is dat Japie en zij straks op straat zullen worden gezet.
“Het is mijn schuld,” zegt ze. “Ik heb er zo’n spijt van Japie, ik wil mijn leven beteren en een goede moeder voor je worden”.
Japie streelt zijn moeders wang en Rooie Siem staat er wat verloren bij.

“Weet je Maria” zegt hij, “ik wil je wel helpen. Ik heb nu weer een baan.
Ik zou voor een vrouw en kind kunnen zorgen.
Van die jongen van jou ben ik gaan houden en ik kan niet zien dat hij ongelukkig is en ook jij laat mij niet onverschillig, dus laat mij je het geld mogen geven voor de huur, zodat je hier kan blijven wonen!”
Als Maria wat van haar verbazing is bekomen en Rooie Siem zijn verhaal heeft gedaan, zegt ze tegen hem.”Het lijkt, of er hier een Engel God ‘s aan het werk is geweest, die jou en die marktkoopman op onze weg heeft geplaatst. Met jouw en Gods hulp kan ik mijn drankprobleem de baas worden en zal er wellicht voor ons allen nog een gelukkige toekomst zijn weggelegd. Hij heeft ons voor elkaar bestemd, denk jij ook niet”?
Stil heeft Japie naar zijn moeder en zijn grote vriend geluisterd en hij kan zijn geluk niet op.

Een mooier kerstfeest kan hij zich niet voorstellen.
Zijn moeder weer gelukkig en ook nog eens binnenkort een nieuwe vader?
En terwijl de grote mensen geen erg meer hebben in dat kleine figuurtje, vouwt hij dankbaar zijn handen en fluistert:
“Dank U heer, voor al uw goedheid, Amen”

Mieke van den Tol

 

 

Over Niels Snoek

Niels Snoek is de voorzitter/spin-in-het-web van De Reizende Dichters.

Reacties kunnen niet achtergelaten worden op dit moment.