Martinus van Nieuwenhuyzen

Martinus Nieuwenhuyzen, 1759 – 1793

Nieuwenhuyzen kwam ter wereld in Middelharnis, maar verhuisde algauw nadat zijn vader, een doopsgezinde predikant, het beroep van de kerk in Aardenburg had aangenomen. Martinus trad niet in de voetsporen van zijn vader, maar legde zich toe op de geneeskunde. Hij studeerde aan twee universiteiten die er niet meer zijn: Harderwijk en Franeker. In Franeker promoveerde hij. In Edam, waar hij zich als geneesheer vestigde, richtte Nieuwenhuyzen de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen op. Later bracht ‘’t Nut’ hem in Amsterdam en Haarlem, waar hij in 1793 op jonge leeftijd overleed.

Zijn dichtkunst was toen nog niet tot volle bloei gekomen, maar duidelijk was dat hij op die gebied niet onverdienstelijk was. Zijn gedichten zijn te vinden in genootschappelijke en andere bundels en stonden bekend om hun luimige en satirische inhoud, al droeg hij ook bij aan een bundel christelijke gezangen, waarin de toon statig en waardig is en zijn taal getuigt van verheven denkbeelden.

Nieuwenhuyzen schreef Opheldering van het IJgodinnentimmer in den IJstroom van Antonides, Geest der Nederlandsche dichters (1788) en De mensch, een gezang (1789). Daarnaast bewerkte hij het treurspel Desdemona (1789) van William Shakespeare en schreef hij tal van bijdragen in genees- en letterkundige tijdschriften. Verder zijn het noemen waard: Levensschetsen (met zijn zwager Adrianus Loosjes), Apotheek in vragen en antwoorden. Voor eerstbeginnenden (1782), Verhandeling over het kunstmatig lezen (1788), Schoolboekjen van Nederlandsche deugden (1788) en Lettergeschenk voor de Nederlandsche jeugd, dat meerdere drukken beleefde.

Reageren is niet mogelijk