Jan Knape

biografie door Harry J. Goosens

Jan Knape (1900-1979) was de zoon van Marinus Knape en Pietertje van den Berg. De geboren en getogen Flakkeeënaar klom op van onbezoldigd volontair tot gemeentesecretaris van Sommelsdijk en zat in het bestuur van talloze verenigingen en stichtingen. Van 1964 tot aan zijn pensionering was hij directeur van de Haringvlietbrug N.V.
Zijn woonhuis aan de Koninginnelaan in Sommelsdijk is er nog.
Knape publiceerde een aantal streekromans, enkele jeugdboeken, en een aantal korte verhalen.
De laatste jaren van zijn leven moest Knape een arm missen. Met behulp van punaises prikte hij vellen papier vast waardoor hij toch kon schrijven. (feit of fictie?)
Jan Knape Marinuszoon overleed in de nacht van 8 op 9 november 1979 en werd begraven in Sommelsdijk. Op zijn graf staan de bekende woorden uit het boek ‘Polderland’: Ik heb dat land lief… en dat volk…

Knape---graf-1 

het graf van Jan Knape op de begraafplaats te Sommelsdijk (foto’s: september 2009)

Een uitgebreide biografie, bibliografie en beschrijving van enkele boeken vindt u hieronder

bibliografie
o.a.

1928
25 jaren landarbeiderswet (gedenkboek)

1934
Polderland (roman)

Knape3 1935
Kneuterboertjes (roman)

1937
Het gevloekte leven (roman)

1937
Het kruis in de kerstnacht (kinderboek)

Knape5 1938
Het gevecht op de ladder (roman)

1940
Het witte hondje (kinderboek)

1949
Noodlot der begeerte (roman)

1989
De weg naar huis (roman)

uit: Noodlot der begeerte (1949) – M. Stenvert & Zoon Uitgevers – Meppel

(pagina 108-109)Als mannen een geval bespreken doen ze dat heel anders dan vrouwen. Vrouwen keren telkens weer tot zichzelf terug. Als ze het hebben over de ongelukkige dood van oude Dimmen dan komen ze terecht bij de vraag: worden we bedrogen? en: moeten we voortvaren? …. Dan weten ze niet meer ….
Maar mannen doen aan politiek. Het is hun roeping om elke gebeurtenis, hetzij klein of groot, te zien in het licht van het algemeen belang, wat toch eigenlijk de ware politiek is. Er zijn slechts weinigen uitverkoren om het algemeen belang te bespreken in de lands- en gemeentelijke regeercolleges. De meesten moeten zich tevreden stellen met hun meningen te verkondigen, en tegen andersdenkenden te verdedigen, op de straathoeken, op de barbierswinkels, in de herensociëteit, in de herberg, overal waar mannen plegen bijeen te zitten of te staan ….
De politiek komt op de scheerwinkels in zijn meest zuivere vorm tot openbaring. In de vergaderzalen der regeercolleges wordt de politiek beïnvloed door de politiek. Op de straathoeken is er weinig comfort, behalve dat men er vrijelijk mag rondspuwen, men behoeft niet eens uit te kijken waar de flater neerkomt. Er staat allicht een trekje wind, of er valt een miezerige regen. Het vindt algemene erkenning, dat de weersomstandigheden een grote invloed hebben op iemands inzichten. Om maar niet eens te spreken hoe moeilijk het is om soms langer dan een uur op je hurken te zitten, of met je handen in je zakken te staan ….In de herensociëteit is het recht gezellig, en in de herberg ook, maar daar is de borrel. Als gevolg daarvan is het gesprokene wel altijd eerlijk, maar meestal niet zeer verstandig. Alleen op de scheerwinkels zijn de omstandigheden van die aard, dat zowel eerlijke als verstandige politiek kan worden verkregen.
De scheerwinkel van Bas Hofman is de best-beklante zaak van het dorp. Men kan ze vinden in de Haringvlietstraat, een nummer is niet nodig, want er staat een trapje buiten. De inrichting van Bas Hofman bevindt zich namelijk een meter boven de begane grond. Vandaar wellicht, dat de man ’s avonds aan zijn vrouw het nieuws vertelt, dat hij “op” de scheerwinkel gehoord heeft. En er is veel te horen, en vanzelf ook veel te spreken. ’s Woensdags- en ’s Zaterdagsavonds, sinds oude tijden de scheeravonden van boer en burgerman, biedt de winkel van Bas volop gelegenheid voor een gezellig en leerzaam onderhoud. Dan is de grote kleermakerstafel weggenomen, waarop Bas, met gekruiste benen, de jekkers en pillowse broeken in elkander rijgt. De trapnaaimachine, die al naaiende een herrie maakt als een defecte motor, is aan de kant gezet. Langs de muren staan stoelen en banken voor de bezoekers. Bas is nog een ouderwetse barbier. Hij staat met zijn benen wijduit naast de scheerstoel, lichtelijk gebogen over de klant. Hij zeept met zijn ene hand in, en met zijn andere hand wendt hij het klantenhoofd links en rechts, al naar zijn welbehagen. De klant blijft aan het algemene discours deelnemen tot op het ogenblik, dat het waterbakje uit zijn handen wordt genomen en het mes op zijn gezicht gezet ….

Jan Knape Mzn., De gemeentesecretaris als romanschrijver.
Wie Jan Knape zegt, zegt Flakkee. Wie met het verleden van deze streek enigszins bekend is weet wie J. Knape Mzn. was. Jan Knape (1900-1979) was de zoon van Marinus Knape (geb. 1865) en Pietertje van den Berg. Hij was veertien jaar toen zijn vader overleed. De autodidact doorliep alle ambtelijke rangen op het gemeentehuis van Sommelsdijk. Van volontair tot gemeentesecretaris. Ambtenaar ter secretarie J. Knape Mzn. was gehuwd met Klaasje Groen. Uit dit huwelijk werd in 1928 Marinus Arend geboren. De geboren en getogen Flakkeeënaar klom op van onbezoldigd volontair tot gemeentesecretaris van Sommelsdijk en zat in het bestuur van talloze verenigingen en stichtingen. Van 1964 tot aan zijn pensionering was hij directeur van de Haringvlietbrug N.V. Hij verwierf vooral bekendheid als auteur van een aantal streekromans.
De schrijver
J. Knape Mzn. publiceerde een aantal streekromans, enkele jeugdboeken, waaronder ‘Het kruis in de kerstnacht’, en een aantal korte verhalen. Bekend werd het personage ‘Ouwe Kees’. Minder bekend is dat hij ook sonnetten schreef. Met titels als: ‘Polderland’ en ‘Noodlot der begeerte’ bereikte hij een lezerspubliek dat deze streekromans wist te waarderen. De stijl is rechttoe, rechtaan. Stilistische hoogstandjes of stijlbloempjes zoeken we tevergeefs. Ook kunnen we Knape niet betrappen op een overdaad aan originaliteit. Desondanks hebben enkele van zijn boeken een magische klank. ‘Kneuterboertjes’ en ‘Het gevloekte leven’ zijn nog altijd bekende titels. In 1953 verscheen het kinderboek: ‘Het witte hondje’. In 1987 verscheen ‘De weg naar huis’ in druk. Het matige verhaal werd door Cornelis Geleijn van der Sluijs van tekeningen voorzien. Knape was ook publicist en spreker. In 1953 verscheen van zijn hand een boek ter gelegenheid van 25 jaar Landarbeidersvereniging in Sommelsdijk. Het betrof de landarbeiderswet, die voorzag in (klein)grondbezit voor boerenarbeiders. De schets van Jankees waarmee het gedenkboek begint is onvergetelijk. De spreekwoordelijke Flakkeese jongen werd grootgebracht in een gezin waar de boterhammen, soms zonder boter, werden geteld. Hij werd al jong ‘koeiewachtertje’. Later trouwde hij en werkte in de zomerdag van vijf tot vijf. Hij overleed in een oudemannenhuis. Wie het gedenkboek leest wordt ook gewaar in welk ijltempo onze maatschappij en het eiland Flakkee zijn veranderd. De armoede, de verhouding boer-knecht worden treffend beschreven. Ook uit deze studie komt de sociale bewogenheid van Knape naar voren. Het overzicht dat Knape in 1955 als bijlage voor het jaarboek van de Flakkeese Gemeenschap schreef mag gerust uniek genoemd worden. In enkele bladzijden zette Knape de Flakkeese samenleving in hoofdlijnen op papier. De belevenissen van de gemeentesecretaris tijdens de ramp van 1953 werden opgenomen in de boeken van Rik Valkenburg. Ook in ‘De Ramp, een reconstructie’ van Kees Slager wordt Knape genoemd. In het boek ‘Gebroken dijken’ schreef de gemeentesecretaris een schets over Ouwe Kees. De belevenissen van de oude man tijdens de watersnood zijn karakteristiek voor Flakkee. Ondanks fysieke beperkingen was Knape maatschappelijk zeer actief. In het jaar van de ramp sprak hij op de jaarvergadering van de landarbeidersvereniging in Dirksland. Naast zijn sterke betrokkenheid bij het kleingrondbezit van landarbeiders was hij o.m. actief voor de brandweer en de woningbouwvereniging van Sommelsdijk. In het onlangs verschenen herdenkingsboek van het Diekhuus is een foto van de opening opgenomen waar Knape als gemeentesecretaris te zien is. De laatste jaren van zijn leven moest Knape een arm missen. Met behulp van punaises prikte hij vellen papier vast waardoor hij toch kon schrijven.
Flakkee
Het is voor alles Flakkees wat Knape aan het papier toevertrouwde. De dialogen zijn opgetekend in het dialect van de streek en zijn romans geven een doorkijkje op gebruiken, zeden en gewoonten van het eiland. Zijn kennis van het agrarische leven is niet vreemd; Knape was de zoon van een veldarbeider en zijn moeder stond als landbouwster geregistreerd. In de vooroorlogse boeken spelen de armoede tijdens de crisisjaren, de opkomst van het socialisme en het godsdienstige leven een belangrijke rol. Er is bij Knape veel aandacht voor het alledaagse. Dagelijks werk, verliefdheid en verkering en geld en bezit keren regelmatig terug. Maar het is niet alles Flakkee wat er blinkt, in de verhalen van Knape spelen ook algemeen menselijke thema’s zoals werkloosheid en de anti-godsdienstige gevoelens van (oudere) kinderen een rol. Benepen zelfhandhaving en carrièredrang krijgen ook een plaats. Wie wil er niet hogerop en meer status? Knape beschrijft met feilloze precisie de bedompte en hiërarchische sfeer op een gemeentesecretarie. Personages met een minder gunstige uitstraling als Maart Vergeer, Woeker Maart uit Kneuterboertjes, worden scherp getekend en blijven langer in het geheugen opgeslagen. Ook maakte Knape gebruik van brand en stroperij om het verhaal de nodige spanning te geven. Treffend zijn de beschrijvingen van de couleur locale, waar laag-bij-de-grondse motieven en zelfgenoegzaamheid vaak de boventoon voerden. Zoals een burgemeester die iedere dag met de veldwachter een rondje door het dorp maakte, onderwijl burgers aansprekend op hun gedrag en eventuele overtreding van regels. Onbetaalde volontairs en dikdoenerige gezagdragers vullen de pagina’s. Sommige taferelen op de secretarie doen denken aan de bekende slangenkuil. Echte intriges ontbreken, maar het is er niet ver vandaan. Wie zoekt naar leeftijd- en andere vormen van discriminatie is bij Knape aan het juiste adres. Op de gemeentehuizen golden van oudsher de wetten van macht en invloed. Onderscheid moest er zijn. Hiërarchisch denken en doen was de gewoonste zaak van de wereld. Het doet voor de hedendaagse lezer koddig aan om te lezen hoe er strijd werd geleverd om de vraag wie iets tot zijn competentie mocht rekenen. Zelfs de vraag wie de post als eerste mocht openen en lezen kon leiden tot een heuse machtsstrijd. Bij Knape gebeurt het en zeer levensecht. Veel is gedateerd natuurlijk, maar welk boek is dat niet? Al lezend is het gevaar van een anachronistische interpretatie levensgroot aanwezig. Ook de verschillen tussen rijk en arm en jong en oud moeten worden gezien in het licht van hun tijd. We lezen van onderwijzers die begaafde maar arme kinderen in hun vrije tijd bijscholen.
Tijdsbeeld
Een aantal boeken van Knape speelt zich af in de crisisjaren. Na 1930 werd de economische wereldrecessie ook in ons land merkbaar en ook de agrarische sector ondervond de gevolgen. In het boek ‘Het gevloekte leven’ komt de crisistijd duidelijk naar voren. Wout en Lietje moeten trouwen en dat leidt er toe dat Wout, tot ontsteltenis van Lietje, op een bepaald moment vloekt. Het jonge stel gaat wonen in een armoedig huisje en Wout moet naar het burgerlijk armbestuur voor een toelage. Hij komt bij nader inzien niet in aanmerking voor steun. Trouwen en daarna leven op kosten van de (burgerlijke) Armenkas kan niet en Wout ziet zich gedwongen bij de diaconie aan te kloppen voor geldelijke ondersteuning. Hij moet zich net als andere werklozen wel twee keer per dag melden. Het stempelen, de personen die belast waren met de uitvoering van de (kerkelijke) Armenkas en het kerkelijk bestuur worden treffend getekend. Als Wout zijn vader wil helpen met diens eigen stukje grond wordt dat beschouwd als werk. De jongeman loopt net als zoveel dorpsgenoten de hele dag maar wat rond en moet twee keer per dag op een vastgestelde tijd een stempel halen. Minder stempels betekende minder geld. Dat de kliklijn oude papieren heeft blijkt uit een brief die meneer De Vries over de moeder van Wout ontvangt, hierin wordt vrouw Oksel ervan beschuldigd dat zij naaiwerk verricht voor mevrouw De Groot. Het gevolg is dat zij wordt gekort op de steun die zij van overheidswege krijgt.
Jeugdboeken
Knape schreef twee titels voor jonge lezers. Ze worden vaak als zondagsschoolboekjes omschreven. In 1938 verscheen de eerste druk van ‘Het kruis in de kerstnacht’. Na de oorlog verscheen een tweede druk. De beoordeling van ‘Het kruis in de kerstnacht’ van de Ned. Hervormde Zondagsscholenbond op Geref. Grondslag uit 1938 liegt er niet om. De korte inhoud van het boek: Joost is het enige kind uit een gezin. Hij moet altijd liggen. ‘s Zomers buiten, en ‘s winters binnen. Joost’s gezondheid gaat steeds meer achteruit. Begin december is het einde nabij. Moeder brengt Joost daarvan op de hoogte en hij berust er in. Het kind uit de wens nog een keer Kerstfeest te mogen vieren. Dit geschiedt, maar al op 3 December. Dan sterft Joostje, nadat moeder heeft gezongen: ‘Er ruist langs de wolken’. De recensie vermeldt dat het jongensboek, geschikt voor een leeftijd van ongeveer 11 jaar, een algemene strekking heeft. De beoordeling luidde als volgt: het boekje beschrijft een zeer moeilijke stof. Wie zal zeggen, wat er in de kinderziel omgaat als het sterven wordt? Van ware zonde- en zelfkennis lezen we niets en die moet ook het kind noodzakelijk kennen. ‘t Is alles algemene verzoening in dit boekje. Conclusie: niet aanbevolen voor Zondagsscholen. In het boekje ‘Het witte hondje’ is het godsdienstige ook duidelijk aanwezig. Bij ‘Ouwe Kobus’, een oude vrijgezel die ’s avonds altijd in de bijbel leest, komt een hondje aangelopen. Ondanks een duidelijk bericht van de dorpsomroeper wil de oude man geen afstand van het beestje doen. Als hij uiteindelijk besluit het diertje terug te geven, krijgt hij het hondje van de eigenaar, de jongen Evert, als geschenk. Illustrator van dit boekje was Jan Lutz (1888-1957), die ook meewerkte aan een reclamecampagne voor een jamfabriek in de Betuwe.
Godsdienst
Het godsdienstige leven neemt een belangrijke plaats in in de boeken van Knape. De kerkelijke gezindte van de schrijver, hij behoorde tot de Gereformeerde Kerken, is in zekere zin uit zijn boeken af te lezen. Naast bijbellezen en bidden wordt (veel) gesproken over bekering en het leven met God. Dat is voor eigentijdse lezers wellicht in te sterke mate aanwezig, maar godsdienst was in de fictieve en de bestaande wereld van Knape van grote betekenis. Vooral in ‘Kneuterboertjes’ voert het godsdienstige de boventoon. In lange monologen worden de godsdienstige opvattingen van de oudere generatie ten tonele gevoerd. Een leven met God is de enige garantie voor een goed leven, nu en straks. Waarmee uiteraard de hemel wordt bedoeld. Soms kun je je niet aan de indruk onttrekken dat de schrijver mild ironisch schrijft over een dergelijke godsbeleving. Knape was, gelet op zijn beschrijvingen, ongetwijfeld bekend met de zogenaamde ‘bevindelijken’. Of hij de reikwijdte van hun geloofsbeleving naar waarde wist te schatten valt te betwijfelen. Dit bevindelijke geloof, anders gezegd de ‘omgang met God’, is moeilijk in woorden te vatten, zeker niet in romanvorm. Ondanks dat deed Knape zijn uiterste best om de lezer een indruk te geven van het religieuze leven van zijn tijd. De kinderen vallen doorgaans het geloof van de ouders af en ook het overgrote deel van de landarbeiders is niet gelovig. Van betrokkenheid bij de kerk is nauwelijks sprake. Alleen bij bijzondere gelegenheden wordt een dominee ten tonele gevoerd. Als een predikant na een godsdienstige plechtigheid vertrokken is krijgt, ook na een uitvaart, het alledaagse al spoedig de overhand. Alhoewel de schrijver vooral schreef over het dagelijks leven vinden we opvallend weinig over kerkgang en zondagsrust.
Dramatiek
In alle boeken van Knape zitten dramatische momenten. In ‘Polderland’ wordt Jaap (‘Jaop’) betrapt als hij met zijn schoonvader konijnen gaat stelen. Hij moet voor dit misdrijf de gevangenis in. In ‘Kneuterboertjes’ wordt door de minder begaafde Huibje ‘per ongeluk’ een schuur in de brand gestoken. Het ontstaan van de brand wordt door Knape beeldend beschreven. Een uitgesproken dramatisch boek van Knape is het in 1949 verschenen ‘Noodlot der begeerte’. De streekroman beschrijft het leven van weduwnaar Dimmen. Hij gaat ondanks het feit dat hij geld krijgt van het burgerlijk Armbestuur én van de diaconie langs de deuren om hier en daar een stuiver of een dubbeltje te krijgen. De Oude Dimmen gaat elke week bepaalde adressen langs. De man is een gierigaard en een hardvochtige schooier met een belast verleden; zoon Joost zou een veldwachter hebben neergeschoten en zoon Rinus is een kaaigast, een losbol die niet werkt, maar drinkt. Schoondochter Mariet zorgt voor de kleding en het eten van de oude man. Het bedrag dat hij hiervoor wekelijks moet betalen vindt Oude Dimmen overbodig, maar hij komt er niet onderuit wekelijks twee gulden te betalen. De gierige Dimmen woont in een klein huisje in een slop waar hij het opgepotte geld bewaart.
Het verhaal krijgt een dramatische wending als Rinus op een dag de trommel met muntgeld van zijn vader steelt. Hierbij wordt hij onverwacht geconfronteerd met het wit gehaakte mutsje van zijn overleden moeder. Rinus verbergt het geld onder de grond in het schuurtje van de geit, maar wordt op aangeven van zijn vader door de veldwachter gearresteerd. Hij ontkent het geld gestolen te hebben en oude Dimmen weigert op zijn beurt een aanklacht tegen zijn zoon te in te dienen. ‘Ze hawe niet bie m’n gestole.’ De volgende morgen gaat de mare door het dorp dat Dimmen zich tekort heeft gedaan. Hij kon het verlies van zijn centen niet verwerken en heeft zich verhangen. Rinus, die wegens gebrek aan bewijs was losgelaten, heeft het touw losgesneden… Nog voordat oude Dimmen is begraven wordt er in de college’s van het burgerlijk Armbestuur en de diaconie gedelibereerd over het geld dat Dimmen ten onrechte al die jaren heeft ontvangen. Van de notabelen schetst Knape een ongekende karikatuur. Ze zijn herkenbaar aan hun tandeloze mond, ze nuttigen tijdens hun vergaderingen koffie en een sneetje zoete koek. In het dorp ontstaat opschudding en er wordt uiteraard ook gesproken over het behouden zijn van Dimmen. De dominee laat de eeuwige staat van de oude man in het midden door te zeggen: ‘Het oordeel komt ons niet toe…’ Rinus vervalt al spoedig tot krankzinnigheid. In zijn cel onder de toren krijgt hij bezoek van zijn buurman Simen. Simen is een ‘stille in den lande’, die in mildheid en oordeel eensgezind is met de dominee. De laatste heeft te strijden tegen plat materialisme en ongekende hardvochtigheid. Voor de diaconie is het een overwinning dat zij en het Armbestuur ieder de helft van het opgepotte geld van oude Dimmen krijgen. In die zin werd zijn begeerte het noodlottig, een woord dat trouwens haaks staat op de gereformeerde voorzienigheidsleer.
Slot
In 1989 verscheen het manuscript ‘De weg naar huis’ in druk. Het boek werd geïllustreerd door de Sommelsdijker Corn. G. van der Sluijs. Het verhaal is niet bijzonder, maar wel in alle opzichten Flakkees. Het gaat over de liefdesgeschiedenis tussen Willem en Betje. De taal, gewoonten en gebruiken zijn allemaal ontleend aan het Flakkeese polderland. De hommage aan de overleden schrijver pakte niet helemaal goed uit. De belangstelling voor het boek was niet zo groot dan waarop de uitgever hoopte. Daarmee was het lot van de boeken van Knape min of meer bezegeld. Wie leest nog zijn romans? Wie waardeert nog zijn perfecte beheersing van het geschreven Flakkeese dialect? Wie Jan Knape nader beziet aanschouwt een man met gaven. Een harde werker die aanwezig was als dat werd vereist. Zijn woonhuis aan de Koninginnelaan in Sommelsdijk is er nog. Knape was er uiteraard bij toen de ontsluiting van het eiland gestalte kreeg. In 1964 werd hij directeur van de N.V. Haringvlietbrug. Nu is hij een nagenoeg vergeten schrijver van streekromans. Ondanks gedateerdheid en een lang uitgesponnen verhaaltrant biedt het oeuvre van Knape genoeg om kennis van te nemen. Met enig zoekwerk en wat geluk zijn sommige (roman)titels antiquarisch te koop. De romanschrijver ontstijgt af en toe het vlakke Flakkeese polderland. Die tijd en de door hem beschreven personages zijn voorgoed voorbij, maar de auteur van treffende beschrijvingen en de man die met veel gevoel de kleine man typeerde verdient het om in onze herinnering te blijven. Jan Knape Marinuszoon overleed in de nacht van 8 op 9 november 1979 en werd begraven in Sommelsdijk. Op zijn graf staan de bekende woorden uit het boek ‘Polderland’: Ik heb dat land lief… en dat volk…
Met dank aan Corn. G. van der Sluijs

2 reacties

  1. A. Moelijker

    Knape had ook historisch bewustzijn. Half 19e eeuw was het familiegraf van de adellijke familie Van Aerssen geplunderd door dorpsbewoners. Behalve de loden omhulsels van de kisten waren de koperen naamplaten in trek. Eén plaat werd gered, maar verdween weer. Tot in de oorlog iemand deze inleverde op de secretarie waar Knape secretaris was. Hij besefte gelijk de waarde van de plaat en verdonkeremaande die. Toen het streekmuseum Goeree-Overflakkee in Sommelsdijk geopend werd stond hij de plaat af. Hij bevindt zich in de entree van het museum.

  2. A.M. v.d. kraan

    Ik heb het boek “Het gevloekte leven”
    Is iemand daar nog in geïnteresseerd?

Reageren is niet mogelijk