Ed Hoornik

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Eduard (Ed) Jozef Antonie Marie Hoornik (Den Haag, 9 maart 1910 – Amsterdam, 1 maart 1970) was een Nederlands dichter, behorend tot de Amsterdamse School. Aanvankelijk was zijn werk sociaal-kritisch. Zijn latere werk is sterk getekend door zijn ervaring als overlevende van concentratiekamp Dachau, en heeft daarom vooral de confrontatie met de dood als thema. Naast gedichten schreef hij ook toneelstukken, romans en essays.

Leven en werk
In 1929 begon Ed Hoornik zijn journalistieke carrière bij “De Tijd”, vanaf 1933 was hij redacteur bij het Algemeen Handelsblad. In 1934 trouwde hij met Elisabeth Nussbaum. Uit dit huwelijk kreeg hij drie dochters, het paar scheidde in 1957. Vanaf 1929 publiceerde Hoornik gedichten en verhalen; in 1936 verscheen zijn eerste gedichtenbundel Het Keerpunt. Reeds voor de oorlog waarschuwde Hoornik tegen het Nazisme, onder meer met het gedicht Pogrom, met de slotregel het is maar tien uur sporen naar Berlijn (1939; Steenen). Hoornik weigerde als literatuur-recensent van het Algemeen Handelsblad in bezettingstijd rekening te houden met de censuur (hij werkte en schreef onder de directe leiding van de nationaalsocialistische letterkundige en journalist Chris de Graaff), maar had een gezin met kinderen, waardoor het hem moeilijk viel ontslag te nemen. In de loop van 1942 dook hij toch onder. Zijn werk werd verboden. Op 19 augustus 1943 werd Hoornik samen met zijn vrouw, uitgever Bert Bakker en vrienden gearresteerd op een feest ter gelegenheid van de verschijning van de illegale dichtbundel Tweespalt. Hoornik werd overgebracht naar Kamp Vught en vandaar op 26 mei 1944 naar het concentratiekamp Dachau, waar hij 29 april1945 door de Amerikanen bevrijd werd. Dachau heeft een blijvend stempel op hem gedrukt: Banger word ik voor mijn eigen wezen, Dachau schoof een raster voor mijn ziel (Ex Tenebris). Na de oorlog was Hoornik redacteur kunst van Vrij Nederland. Vanaf 1954 was hij ook redacteur van het politiek-literaire blad De Gids. Na zijn scheiding trouwde hij in 1957 met Mies Bouhuys, die over haar leven met hem het boek Het is maar tien uur sporen naar Berlijn schreef. Ed Hoornik was bevriend met Gerrit Achterberg.

Requiem

Te Middelharnis is een kind verdronken,
Sober berichtje in het avondblad:
onder een hooiberg die had vlam gevat
en naast een zolderschuit, die was gezonken.

Zes dagen heeft het in mij nageklonken.
Op het kantoor vroeg men: zeg, heb je wat?
Ik werkte door, maar steeds weer hoorde ik dat:
te Middelharnis is een kind verdronken.

En kranten waaien weg en zijn verouderd,
de dagen korten, nachten worden kouder,
maar over ’t water komt zijn kleine stem.

te Middelharnis, denk ik, ‘k denk aan hem
en bed zijn hoofdje tussen hart en schouder,
en zing voor hem dit lichte requiem.

  Hoornik---graf-Adri-1
het graf van Adri Krijgsman te Middelharnis (foto’s: september 2009)

Te Middelharnis is Adri niet langer bekend (Reformatorisch Dagblad – juli 2007)
door Bert Monster
MIDDELHARNIS – Zo bekend de eerste regel veel mensen voorkomt, zo onbekend is de droevige achtergrond van het gedicht waarin Middelharnis een plekje heeft. Hoe vreemd het ook klinkt, de verdrinking in 1938 van een 5-jarig jongetje in de haven van het Zuid-Hollandse dorp inspireerde de Nederlandse dichter Eduard Jozef Antonie Marie Hoornik (1910-1970).
Lees het hele artikel hier

Redactie (2-3-2014): Onder hier zat de link naar het artikel. Deze werkt niet meer. Je moet nu inloggen bij het Reformatorisch Dagblad.

Het haventje van Middelharnis waar op 17 juli 1938 de 5 jarige Adri Krijgsman verdronk.

Op 11 september 2009 leest Frouke Bienefelt het gedicht en wordt het onthuld op een meerpaal.

REQUIEM
Ik ging de muziek van ‘het requiem’ behandelen. Maar er kwam geen muziek. Er verscheen een gedicht op het scherm. Ed Hoornik. ‘Te Middelharnis is een kind verdronken’. Ik las het voor aan de overrompelde gezichten. Tot en met de laatste woorden ‘en zing voor hem dit lichte requiem’. Ik besloot de klas te overdonderen. ‘Vind je het niet prachtig? (“???”) ‘Ben je geraakt?’ (“???”) ‘Jullie hóuden toch wel van gedichten?’ (“???”) ‘Dit moet je uit je hoofd leren!’ (“???”) ‘Wie weet waar je dit gedicht in Middelharnis kunt vinden?’ (“???”) Eén jongen steekt zijn vinger op en doet een aarzelende poging. Ik wijk van mijn verhaal af. Vertel over mijn schoonmoeder, kind uit een groot gezin. Sinds de dag dat een kind verdronk in de sloot achter hun huis gaf haar vader aan haar moeder voor het slapen gaan niet één, maar voortaan twee zoenen. Later verdronk nog een kind. Toen werden het drie zoenen. Tot haar dood. Eén van de man, twee van de verdronken kinderen. Ik lees het gedicht nog maar eens voor. Snappen ze het al? Nog elke dag sterven er kinderen. Van Middelharnis tot Syrië. Je leest het in de krant naast het alledaagse bericht over de hooiberg die heeft vlam gevat en een zolderschuit die is gezonken. En nog elke dag slaan we de bladzijde om of zappen naar een ander kanaal. Totdat het bericht terugkomt. Totdat die stem in ons gaat roepen. ‘Te Middelharnis’ denk ik en ik denk aan hem.’ Misschien is er een jongen of een meisje dat deze week toch even een omweg maakt naar de haven. Om het gedicht daar met eigen ogen te lezen. Om zo het verdronken kind in de armen te nemen. ‘En bed zijn hoofdje tussen hart en schouder en zing voor hem dit lichte requiem.’
Mar van der Veer, juni 2014 

Reageren is niet mogelijk