Mieke van den Tol


Nieuwe Tonge

email: vandentolmieke@gmail.com 
website: Miekes-Plekje

biografie

Ik ben geboren op een binnenvaartschip in het jaar 1940 en heb gevaren totdat mijn kinderen naar school gingen. De band met het water is altijd gebleven en na mijn pensionering ben ik op de boot gaan wonen die mijn man zelf heeft gebouwd en waarmee we in de zomermaanden er op uit trekken. Helaas is mijn man in 2018 overleden en ben ik aan de wal gaan wonen in Nieuwe Tonge.
Een klein maar leuk dorpje op ons mooie eiland Goeree Overflakkee.
Mijn arbeidzaam leven speelde zich af in de lokale en landelijke politiek en heb daarvoor vele jaren in Gemeenteraden zitting gehad. Tevens was ik Politiek medewerker in Den Haag. Met mijn 68ste jaar heb ik daarvan afscheid genomen en geniet nu van mijn ‘oude dag’,
Het schrijven en dichten neemt daarin een bijzondere plaats in.
Ook vind ik het fijn deel uit te mogen maken van de Reizende Dichters
Een groep waar ik veel aan te danken heb. De inspiratieavonden motiveren, inspireren en vormen mij tot steeds betere resultaten.
Ik ben al jaren lid van de Nederlandse Schrijversgroep van WWW.Seniorenweb.nl en ook publiceer ik soms gedichten op WWW.gedichtensite.nl
In 2004 heb ik mijn eerste gedichtenbundel ‘Gedachtenkronkels’ uitgegeven onder eigen beheer en op dit moment ben ik bezig om mijn tweede bundel samen te stellen.
Naast het schrijven van verhalen en gedichten heb ik nog meer hobby ‘s
Zo mag ik graag de verfkwast hanteren en schilder ik zowel met olieverf, aquarel als acryl. In het verleden schilderde ik vaak landschappen en zo nu en dan een stilleven, maar sinds kort ben ik bezig met portretschilderen in olieverf. Een nieuwe uitdaging die ik graag heb aanvaard.
Ook zingen doe ik graag en daarom ben ik lid geworden van het “Meezingkoor De Watertoren “
Uit Dirksland.
Muziek in het algemeen en Museum bezoek interesseren mij ook zeer.
Ik ben nu (december 2019) bijna 80 en ik hoop dat de tijd mij nog gegeven mag zijn om de dingen af te maken die ik nog zo graag zou willen volbrengen.

§

Mist

Toen ik vanmorgen door het raam naar buiten keek, zag ik dat er een dichte mist hing.
Dat riep een herinnering op aan die dag in 1956 toen vader en ik met onze sleepboot op de eerste werkdag naar de bouwput zouden gaan van de Haringvlietdam in aanbouw. De dag daarvoor waren we in Hellevoetsluis aangekomen met de ark, waarop moeder en de kinderen woonden. De ark ging altijd met ons mee, als dat enigszins mogelijk was. Zodoende hadden vader en ik een “thuishaven”, waarnaar we ’s avonds laat, na gedane arbeid weer konden terugkeren. ’s Morgens vroeg vertrokken we dan weer met de boot naar onze werkplek. De ark had vader als casco gekocht. Vader wilde een zeewaardig schip en niet zo’n kartonnen doosje zoals die vaak ergens in de grachten een ligplaats hadden gevonden en daar altijd zouden blijven liggen. Nee…. , ónze ark moest tegen een stootje kunnen en ook bij slecht weer en ruw water te verslepen zijn naar de nieuwe ligplaats waarnaar onze arbeid aan de waterwerken ons voerde. Dus kochten we een mooie Friese tjalk, waarop we bij een werf aan de Paal een ijzeren opbouw lieten maken. De ark was vroeger van een slangenmens geweest en de opbouw, was zeer laag. Het verhaal ging, dat deze persoon zich de gehele dag, opgerold als een rolmops, verplaatste. Je kon er nauwelijks staan, maar om geen tijd te verliezen zijn we tijdens de bouw op de ark blijven wonen. De nieuwbouw werd dus gewoon over de oude roef gebouwd. Het werd een mooie woning met voor alle kinderen een eigen slaapkamer. Een doucheruimte en een flinke keuken en woonkamer. Vele jaren is hij ons van dienst geweest en het deed wel een beetje pijn toen we hem uiteindelijk moesten verkopen omdat we aan de wal gingen wonen.
Maar nu terug naar die mistige dag in 1956. Omdat vader en ik het zo druk hadden met het vinden van een ligplaats voor de ark, was er géén tijd meer om een behoorlijke koers uit te zetten naar de bouwput, zodat we bij eventuele mist, op het kompas terug naar de haven in Hellevoetsluis zouden kunnen varen. De bouwput voor de eerste fase van de Haringvlietdam lag ongeveer in het midden van de route tussen Hellevoetsluis en Stellendam en ons werk bestond vooral uit het verslepen van bakken, geladen met grote basaltkeien. Soms ook moesten, bij zwaar weer, de zandzuigers en de baggermolens naar binnen (de veilige haven) worden gesleept. De bakken met basaltkeien konden hun lading op de plaats van bestemming storten, door een mechanisme in werking te stellen waardoor de bodem van de bak zich opende.
‘s Morgens waren we dus bij mooi helder weer op deze eerste werkdag naar de bouwput gevaren. In de loop van die dag kwam er een dichte mist opzetten en tegen de tijd dat onze werkdag erop zat, stonden we voor de keus of we de nacht op de bouwput zouden doorbrengen, óf dat we de gok zouden wagen en zonder een deugdelijke koers bepaald te hebben via het kompas, terug zouden varen naar de haven in Hellevoetsluis. Omdat zowel vader als ik een nogal avontuurlijke aard hadden, besloten we tot het laatste. En dàt hebben we geweten! Vader had altijd een goed richtingsgevoel en dáár vertrouwden wij op. We vertrokken vol goede moed, richting haven. Omdat de mist zo dicht was, kreeg ik van vader de opdracht vooraan op het koppie te gaan staan en mijn ogen en oren goed de kost te geven voor het geval dat er soms verdwaalde schepen zich op onze route zouden bevinden. Zo gezegd, zo gedaan en met een dikke jopper aan tegen de kou en de nattigheid stond ik daar te vernikkelen aan dek. Er gebeurde voorlopig niets, maar na verloop van tijd hoorde ik een misthoorn. Er vanuit gaande dat dát beslist de misthoorn moest zijn die op de punt van de haven stond, richtten we onze voorsteven (koppie) in die richting en omdat we nìets, maar dan ook níets konden zien, kreeg ik van vader de opdracht om met de peilstok te meten hoe diep het water was.
De lange stok werd dan vooraan op de boot (de Kop) in het water gestoken en zo liep je dan naar achteren.(de Kont). Zolang de stok de grond niet raakte kon je er van uitgaan dat je geen risico liep om “aan de grond te lopen“, zoals dat heet. Alles ging goed en het geluid van de misthoorn, dat steeds sterker werd, deed ons vermoeden dat de haven nabij was. Ik had het inmiddels, daar aan dek behoorlijk koud gekregen en ik verlangde naar de warmte van “moeders pappot”, zoals vader dat zo treffend kon zeggen. Zelfs mijn haren waren zeiknat geworden van de fijne mistdruppels.

Toen………, opeens voelde ik grond onder de peilstok.
Ik riep aan mijn vader “ Vader, ik voel grond”, maar het was al te laat. Ondanks dat vader nog probeerde om achteruit te slaan, was er geen beweging meer in het schip te krijgen en we zaten muurvast. Het was afgaand water. We konden geen hand voor ogen zien en we wisten dat de laagste waterstand pas over een paar uur zou zijn bereikt. Daar zaten we dan! Gelukkig bleek dat er géén lek was geslagen, maar gezien het feit dat het water nog veel verder zou zakken en we niet wisten waar we op terecht waren gekomen, maakten we ons grote zorgen. We zouden moeten wachten tot het water weer zou stijgen en we vanzelf weer los zouden komen.
En, of alles nog niet erg genoeg was, wisten we dat ons thuisfront ongerust zou worden als vader en ik niet kwamen opdagen. Van het gebeuren konden we hen níet op de hoogte stellen want wij hadden in die tijd nog géén marifoon aan boord waarmee we verbinding zouden kunnen maken met de wal. Na enige tijd werd de mist iets minder dik en toen zagen we dat er iemand op de dijk naar ons stond te kijken. Vader vroeg aan hem waar we in Godsnaam waren terechtgekomen en met een plat boers accent vertelde de boer ons dat we op een landtong zaten, op enige afstand van de haven. Op deze landtong was, evenals op de havenmond een misthoorn geplaatst en wij hadden ons daardoor laten misleiden. Er zat niets anders op dan de nacht door te brengen op de punt van die landtong. Gelukkig had ik eten genoeg aan boord, dus bereidde ik voor vader en mij een eenvoudig kostje, waarna we besloten om maar te gaan slapen en dan de andere morgen, als we weer vlot zouden komen, direct dóór te gaan naar ons werk, vanaf de plaats waar we waren gestrand.
Vanaf een boot van de Waterstaat, zouden we dan, via hun marifoon, ons thuisfront op de hoogte kunnen stellen van wat er was gebeurd. Vader en ik geneerden ons wél enigszins tegenover de werklui, dus besloten we hén niets over het gebeurde te vertellen!!!. De sleepboot was inmiddels, door het afgaande water behoorlijk gaan hellen. Hij stond nu bijna rechtovereind, zo leek het.
Het schip stond, vrij steil, met de kop omhoog en ik moest op handen en voeten, mijzelf vasthoudend aan de reling, mijn slaapplaats opzoeken in het achteronder. Ondanks de zorgelijke toestand heb ik die nacht tóch nog goed kunnen slapen.
Vader en ik zijn de andere dag weer gewoon aan het werk gegaan, maar het is één van de avonturen geweest die ik, samen met mijn vader heb mogen beleven en waarvan de herinnering vanmorgen weer boven kwam drijven toen ik de dichte mist zag.

§

Ademloos

Zuivere klanken strelen mijn oor.
geluiden om bij weg te dromen.
helder klinkt het veelstemmig koor.
laat de klanken tot mij komen.

De zaal heeft een goede akoestiek
ik luister ademloos naar de muziek.
de schone klanken van orkest en koor.
strelen mijn ziel en scherp gehoor.

Ik raak in extase en sluit dan mijn ogen
klanken om bij weg te dromen.
geheel door emoties begeesterd,
heeft de muziek mij overmeesterd

Muziek is de moedertaal van het hart.
met haar vergeet ik al mijn smart.
ze is de balsem voor mijn wonden
waarbij  ik vrede heb gevonden.

§

Carpe Diem 1

Dankbaar pluk ik weer de dag
die mij bijna was ontnomen
maar de mens wikt en God beschikt
het is allemaal goed gekomen

Ik pluk de dag weer en besef
dat geluk mij is gebleven
en wat de tumor betref’.
mag ik nog even blijven leven

Carpe Diem  is dus het credo
waarop mijn leven is geënt
extra dagen cadeau gekregen
Ik pluk de dag weer,  elk moment

§

Het lied van de zee

Aan zee droom ik de zoetste dromen
ruisende branding streelt mijn oor
ik laat de stilte tot mij komen.
de wind streelt zachtjes mijn gehoor
een wereld,  die mij toebehoor

Ik lig aan het strand zoetjes te dromen
laat mijn gedachten rustig gaan
zij zweven vooruit naar verre oorden
voorbij de horizon en de maan

Een schip heft zich hoog, boven de golven
de wind speelt met haar een vrolijk spel
zij duikt in de golven en komt weer naar boven·
de zeeman roept,  vol vertrouwen…
“We redden het wel”.

Ik hou van het water, ik hou van de zee
dat is al zo lang mijn lust en mijn leven
die liefde neem ik steeds met mij mee
zolang als het leven mij is gegeven

§

Ik zou zo graag willen

Ik zou zo graag willen,
Dat de rijken de armen voeden
Dat de honger in de wereld wordt gestild.
Dat er géén oorlogen meer woeden.
Dat er géén geld meer wordt verspilt.

Ik zou zo graag willen,
Dat er eten is voor iedereen ,
Dat er een dak is boven ieders hoofd.
Dat er alléén maar vreugde is en géén geween.
Dat de één de ander niet meer berooft!

Ik zou zo graag willen
Dat er niet zovelen moeten sterven.
Dat ieder de medicijnen betalen kan.
Dat we ons geweten niet hoeven te verbergen.
Dat in héél deze wereld,
een jongen kan worden; een màn!

Daarom
wil ik U allen vragen,
Te bidden voor onze medemens.
En, gezamenlijk hun leed te dragen.
Dàt is nu mijn grootste wens.

Daarom,
Wens ik U allemaal het beste.
Liefde, vreugde en zo meer.
Laten wij, uit het rijke Westen.
Zorgen voor een goed beheer.

Van de aarde, ons gegeven,
Door onze Goede Lieve Heer.
Ieder mens heeft recht van leven.
Dàn komt ook de vrede weer!

Reacties kunnen niet achtergelaten worden op dit moment.